Exceptioneel transport: onbeheersbaar?

J.O. Nijhuis, G. Feddes


Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid en zorgvuldig wegbeheer zijn er in het voertuigreglement regels gesteld ten aanzien van de omvang en het gewicht van vervoer over de weg. Bij exceptioneel transport gaat het om vervoer van ondeelbare lading of om bijzondere voertuigen die niet aan de wettelijke maten en gewichten kunnen voldoen. Voor alle voertuigbewegingen met lading die te hoog, te breed, te lang of te zwaar is moet dan ook een ontheffing verleend zijn waar specifieke voorwaarden aan verbonden zijn. Exceptioneel transport is bijvoorbeeld gebonden aan voorgeschreven routes net als LZV’s en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Jaarlijks zijn er maar liefst circa 900.000 voertuigbewegingen van exceptionele transporten. Daarbij komt dat exceptionele transporten steeds omvangrijker en zwaarder worden. Zo is het aantal ontheffingen voor massatransport (>100 ton) en breedtetransport (>4,5 m) de afgelopen drie jaar verdubbeld. Hoewel exceptioneel transport voor de toeschouwer vaak spectaculair is om te zien stelt het wegbeheerders voor de nodige uitdagingen. In deze paper wordt daarom ingegaan op de vraag in hoeverre de toename in het exceptioneel transport nog toelaatbaar en uitvoerbaar is. Door het faciliteren van (zeer) exceptioneel transport lopen wegbeheerders tegen grenzen aan vanwege schade aan de weginfrastructuur, verkeershinder, en kosten vanwege tijdelijke wegaanpassingen. Dit heeft negatieve consequenties voor de beheer- en onderhoudskosten en de verkeersafwikkeling.


« Terug